Meer informatie
Van 15 januari t/m 30 mei 2010 is deze tentoonstelling in het Nationaal Gevangenismuseum in Veenhuizen te zien.
De tentoonstelling is op 14 januari geopend door schrijfster Mariët Meester, zelf afkomstig uit Veenhuizen. Lees hier (pdf-bestand) de flyer over de expositie in het Gevangenismuseum.
De tentoonstelling “Er is een weg naar de vrijheid” werd ontwikkeld door Nationaal Monument Kamp Vught en was daar te zien van 7 mei t/m 23 augustus 2009.
Toespraak door Peter Sluiter, directeur Gevangenismuseum
14 januari 2010
Hartelijk welkom in het Nationaal Gevangenismuseum
In twee opzichten is het vandaag een bijzondere dag. We openen de nieuwe tentoonstelling “Weg naar de vrijheid” en het is ook de opening van het nieuwe jaar; wat past daar beter bij dan een nieuwe tentoonstelling?
Het afgelopen jaar was een bijzonder jaar voor het Gevangenismuseum. Dat geldt overigens ook voor mij persoonlijk omdat het mijn eerste jaar was als directeur van dit museum. En ik kan u zeggen: ik voel me hier inmiddels als een vis in het water. Ik zei het al, het afgelopen jaar is voor het Gevangenismuseum een bijzonder jaar geweest. Het museum is uitgebreid met de gevangenis De Rode Pannen. Een echte en bovendien gebruiksklare gevangenis die we lenen van Justitie en die veel toevoegt aan de belevingswaarde van het museum. Het publiek wist De Rode Pannen ook goed te vinden. Eigenlijk was er sprake van een ware stormloop op de gevangenis, die in de geschiedenis slechts werd overtroffen door de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789.
In het afgelopen jaar brachten ruim 100.000 mensen een bezoek aan het Gevangenismuseum. Daar zijn we blij mee en we zijn er, geheel tegen de Noord-Nederlandse aard in, ook een beetje trots op. We realiseren ons echter terdege dat succes behalen één ding is, maar dat succes vasthouden een tweede ding is. We zullen er in 2010 opnieuw hard voor moeten werken en dat gaan we als museum, medewerkers én vrijwilligers, ook doen met energie en overtuiging.
We openen vandaag, aan het begin van het nieuwe jaar, een nieuwe tentoonstelling. En het is mij een bijzonder genoegen om de samensteller ervan, Flip Bool en een van de fotografen, Rogier Fokke, hier welkom te heten. De tentoonstelling laat zien hoe vijf fotografen, Juul Hondius, Bas Princen, Bart Sorgdrager, Paul Bogaers en Rogier Fokke hebben gekeken naar het begrip Vrijheid. Zij hebben elk vanuit hun perspectief en lens gekeken hoe Vrijheid valt te verbeelden in het platte vlak. Dat hebben ze elk op hun eigen manier gedaan en ik durf hier wel te stellen dat die vijf verschillende invalshoeken een prachtig en divers palet hebben opgeleverd. Van uitbundig kleurgebruik, waar vooral mensen te zien zijn, tot sober en ingetogen zwart-wit dat refereert aan al wat langer geleden. Maar ook de gruwelijke instrumenten van een hedendaagse onvrijheid die oorlog heet, zijn op een bijzondere, haast klinische manier, in beeld gebracht.
Het is een tentoonstelling die, toen ik er doorheen liep, mij een beetje naar binnen deed keren. Die aanzette tot wat meer fundamentele gedachten over belangrijke waarden in het leven. Nadenken dus over dingen waar je niet elke dag bij stil staat, maar van ongelooflijk groot belang zijn.
Vrijheid en onvrijheid.
Gevangenschap, het belangrijkste thema van dit museum, behandelt nadrukkelijk gevangenschap als legitieme vorm van vrijheidsbeneming. Het is echter goed om erbij stil te staan dat er ook niet-legitieme vormen van vrijheidsbeneming zijn. En dat onvrijheid dan in een geheel ander perspectief komt te staan. Vrijheid als tegenpool van onvrijheid in de vorm van gevangenschap, lijkt een helder en eenduidig begrip, maar heeft in Veenhuizen een heel ander perspectief en een andere betekenis dan in Kamp Vught of in Kamp Westerbork tijdens de oorlog het geval was. Het is goed om ook bij die verschillende invalshoeken en die fundamenteel andere vormen van vrijheidsbeneming stil te staan.
We hebben deze tentoonstelling en de activiteiten die er mee zijn verbonden, tot stand gebracht in goede samenwerking met Nationaal Monument Kamp Vught en het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Nationaal Monument Kamp Vught tekende voor de tentoonstelling en Westerbork tekent mee voor bijvoorbeeld de duo-lezingen waarin een kampoverlevende en een ex-gedetineerde zullen vertellen over hun heel persoonlijke beleving van vrijheid en onvrijheid in de vorm van gevangenschap.
De tentoonstelling “Weg naar de vrijheid” is mogelijk gemaakt door de steun van het VSB-fonds, het Nationaal fonds voor de vrijheid en veteranenzorg, het KF Heinfonds, de Lexhanna-stichting, het Prins Bernhard Cultuurfonds Drenthe en de vrienden van het Gevangenismuseum. Het maken en inrichten van een tentoonstelling kan niet zonder externe financiële steun en we zijn deze fondsen dan ook dankbaar voor hun bijdrage. Voor ons is hun bijdrage een onderstreping van de maatschappelijke betekenis van het werk van het Gevangenismuseum.
Over vrijheid door Mariët Meester, 14 januari 2010.
Goedemiddag allemaal, ik ben vereerd dat ik iets mag zeggen bij de opening van deze bijzondere tentoonstelling, waarvan het overkoepelende thema ‘vrijheid’ is. De concrete aanleiding was de Lunettenlaan in het Brabantse Vught, waaraan in de Tweede Wereldoorlog het enige concentratiekamp van de SS in Nederland lag.
Kamp Vught was een kilometer lang en ongeveer vierhonderd meter breed. Dat wat ervan is overgebleven, is later voor andere doelen gebruikt. Zo staat er aan de Lunettenlaan een kazerne; een van de fotografen van deze tentoonstelling heeft bermbommen vastgelegd die worden gebruikt bij oefeningen. Aan de Lunettenlaan zijn ook Molukse soldaten van het Koninklijke Nederlandse Indische Leger opgevangen, wat een andere fotograaf ertoe heeft gebracht portretten te maken van Molukse Nederlanders. En Rogier Fokke heeft zich vooral gericht op lunetten, halvemaanvormige vestingwerken waarvan er in 1844 in het bos langs de Lunettenlaan drie zijn gebouwd als verdediging tegen de Belgen.
Twee jaar geleden reed ik zelf over de Lunettenlaan. Voor mij als Veenhuizer was dat heel vertrouwd. Ik zag bos, ik zag ook hei, ik zag de kazerne, en helemaal aan het eind van de laan, die doodloopt, zag ik niet alleen het herinneringscentrum van Nationaal Monument Kamp Vught, maar ook een grote penitentiaire inrichting. Er waren daar achthonderd mensen gedetineerd, o.a. in de bekende EBI, de Extra Beveiligde Inrichting. Ook was er een longstay tbs-afdeling, waar mensen zaten – en nog steeds zitten – die in de gewone tbs-inrichtingen zijn uitbehandeld. Daar moest ik zijn. Er was een nieuw kunstwerk gekomen, waarover ik voor een blad van de Rijksgebouwendienst een artikel mocht schrijven.
De poort naar de inrichting was imponerend. Toen ik erdoor was, wachtten mij muren, hekken, camera’s, labyrintische gangen, controlesluizen. Eenmaal op de longstay afdeling kwam ik in gesprek met twee nog jonge mannen die allebei op badslippers liepen, kennelijk geef je het op een gegeven moment op om schoenen aan te trekken. Ze kwamen intelligent op me over; mannen die over de dingen hadden nagedacht, die konden meepraten over maatschappelijke ontwikkelingen. Ik vertelde voor welk tijdschrift ik kwam. ‘Natuurlijk,’ zei een van de twee zakelijk. ‘Ken ik, goed blad. De afgelopen jaren heb ik in verschillende kunstcommissies gezeten.’ Zo! dacht ik eerst, tot ik me realiseerde dat het commissies binnen justitiële inrichtingen geweest moesten zijn.
Toen ik de longstay afdeling weer had verlaten en de Lunettenlaan mijn eigen Weg naar de Vrijheid werd, riep ik hardop uit: ‘Hoe kan dat nou! Zulke slimme gasten!’ Wekenlang ben ik dit blijven denken. Uiteraard wist ik dat ze het nodige op hun geweten hadden, dat het mensen waren op wie therapieën geen vat hadden gehad. Maar altijd in datzelfde gebouw te moeten zitten! Zelf noemden ze het, omdat het immers hun eindbestemming was, ‘De doodskist’.
Om iets meer van de onvrijheid van deze mensen te begrijpen, heb ik de afgelopen dagen bij mij thuis een map uit de kast gehaald, een map vol brieven die een gedetineerde vanuit de gevangenis in Vught naar de buitenwereld heeft gestuurd. Sinds 1993 ben ik bevriend met deze man. In 1991 zat hij het laatste deel van zijn straf uit in Bankenbosch, hier in Veenhuizen. Toen de vrijheid heel dichtbij was hield hij het niet meer vol en ontsnapte. Een weeklang zwierf hij rond. Een vrouw die hij tijdens die week toevallig ontmoette, adviseerde hem om zich te melden bij de politie, en zo kwam het dat hij korte tijd later voor vier maanden in de Vughtse EBI belandde. Vanuit deze gevangenis stuurde hij brieven naar de toevallig ontmoette vrouw, waarvan hij mij later kopiën gaf. Het was de eerste aanzet voor mijn roman De eerste zonde, waarin een meisje stiekem de brieven leest die haar vader als directeur van de gevangenis Esserheem moet censureren.
Mijn vriend de brievenschrijver was zich bewust van de vroegere functie van het gevangenisterrein in Vught. Hij schrijft: De spanning is hier enorm, Indonesische en Surinaamse gedetineerden zijn ervan overtuigd dat deze plek vervloekt is en dat hier de gebundelde kwade kracht van vermoorde mensen heerst. Hij wist ook dat in een bepaalde cel tijdens de oorlog vierenzeventig vrouwen als strafmaatregel op elkaar waren geperst, en dat tien van hen de nacht niet overleefden. Veertig jaar is die cel niet gebruikt, schrijft hij. Nu is hij weer gewoon opgenomen in het gevangenisbestand. Niemand wil erin, maar als je moet dan moet je. Mijn vleugel staat op het appèlhof van het concentratiekamp. Nog geen vijftig meter van mijn cel was het crematorium, net achter de muur, het dak en de schoorsteen kan ik zien.
Soms refereert hij in zijn brieven direct of indirect aan het begrip vrijheid. Dat hij wordt omringd door niet-Nederlandse gedetineerden bevalt hem wel, want af en toe een vreemde taal spreken geeft me het gevoel dat ik in het buitenland ben. Veel gedetineerden verkeren volgens hem in een toestand van gecontroleerde waanzinnigheid. Het moet wel, als je wilt kunnen verdragen dat je wordt opgesloten, dat iedere deur behalve de douchedeur op slot is. Van opgesloten zijn wordt je waanzinnig, als je het niet kunt controleren ga je met je hoofd door de muur.
In een andere brief noteert hij: Vrij komen, het gevoel dat daar bij hoort is zo sterk dat het de gevangenisstraf bijna de moeite waard maakt. Een paar dagen voor het daadwerkelijk zover is, fantaseert hij hoe het zal verlopen: om half acht ’s ochtends loopt hij door de grote poort naar buiten, net als in een film. Dan neemt hij de bus, haalt geld bij de Sociale Dienst, wandelt wat rond, drinkt een Franse cognac. Dat Jacques Brel geen liedje over vrijheid heeft, schrijft hij verder, betekent dat hij nog nooit heeft vastgezeten. Het verlangen gewoon op straat te lopen, ook al giet het van de regen. De vrijheid te hebben om nérgens naartoe te gaan.
Wij, zoals we hier bij elkaar zijn, zijn van die mensen die de vrijheid hebben om nérgens naartoe te gaan. Het is geen oorlog in Nederland en we worden evenmin onderdrukt. Achter de tralies zitten wij ook niet. Onze vrijheid is het waardevolste dat we hebben. Het woord hoort bij de grote begrippen als liefde, vriendschap en empathie. Iedereen geeft er op zijn eigen manier invulling aan, daarom kan ik hoogstens proberen te formuleren wat het voor mij persoonlijk betekent.
Hoe jong ik ook was, toen ik hier in Veenhuizen opgroeide heb ik vaak gedacht dat ik nooit aan de verkeerde kant van de gevangenismuren terecht wilde komen. Vrijheid staat voor mij min of meer gelijk aan onafhankelijkheid. Ik kom dan onmiddellijk bij iets heel banaals terecht, namelijk geld. Onafhankelijkheid kun je kopen door veel geld uit te geven, maar dat houdt wel in dat je eerst talloze afhankelijke handelingen moet verrichten om eraan te komen. Aan de andere kant is het enige dat een mens fundamenteel in zijn onafhankelijkheid kan belemmeren een gebrek aan geld. Dat blijkt ook wel uit die ene brief uit Vught: niet alleen wat rondwandelen en een cognacje drinken is het plan, maar ook naar de Sociale Dienst, er moet tenslotte gegeten worden.
Zelf ben ik altijd op zoek naar methodes om mezelf met zo weinig mogelijk geld zoveel mogelijk vrijheden te permitteren, zonder daarbij een zekere elegantie te verliezen. Dat laatste is essentieel. Met elegantie bedoel ik dat je andermans vrijheid dient te respecteren. Vrijheid mag nooit gelijk staan aan onverschilligheid. Vrijheid vergt discipline, een zekere behoedzaamheid, anders is het met je vrijheid al snel weer gedaan. Vrijheid is ook moeilijk, want het betekent dat je keuzes maakt die niet door een ander zijn ingegeven. Echt vrij zijn is iets dat je moet durven. Je kunt het pas als je volwassen bent, als je eenmaal weet welke keuzes er allemaal bestaan.
Tot slot: u bent misschien benieuwd hoe mijn vriend de gedetineerde zijn vrijheid heeft ingevuld? Wel, hij heeft een vriendin gevonden en met haar is hij getrouwd. Ze hebben een huis gekocht en kinderen gekregen. Zij heeft een zeer gerespecteerd beroep. Hij is als gevolg van cursussen die hij in de gevangenis heeft gedaan een eigen bedrijfje begonnen. Daar verdient hij prima mee. De redenen waarom mensen in de gevangenis zitten, kunnen volgens hem als volgt worden samengevat: een verkeerd gebruik van de wil. Daar heeft hij wel gelijk in, denk ik. Het vliegt het lekkerst als je je laat meevoeren op de wind, ook al staat de wind de verkeerde kant op. Om met vrijheid te kunnen omgaan moet je rationeel zijn, je wil zo gebruiken dat je noch jezelf, noch een ander schaadt.
Ik wens u veel plezier op de tentoonstelling.
Gaandeweg (7 mei 2009, Vught)
Eind juli 2008 benaderde de fotograaf Rogier Fokke mij met de vraag of ik mee wilde denken over een mogelijke fototentoonstelling in Nationaal Monument Kamp Vught rond het thema ‘vrijheid’. Dit vanwege het feit dat het zuiden van Nederland 65 jaar geleden werd bevrijd. In verband hiermee bracht ik begin september 2008 een eerste bezoek aan Nationaal Monument Kamp Vught voor een bespreking met Jeroen van den Eijnde en Anja Spaninks. Kennismaking met deze bijzondere locatie leidde gaandeweg over de Lunettenlaan al snel tot het idee om het thema ‘vrijheid’ te verbinden met de verschillende functies die het gebied en de gebouwen van het voormalige Kamp Vught nu hebben.
Zo’n idee is aardig, maar hierdoor raakte ik gaandeweg steeds meer betrokken bij de realisatie van opdrachten aan vijf fotografen om deze functies vanuit het thema ‘vrijheid’ te belichten. In goed onderling overleg kwamen we gaandeweg tot de conclusie dat Paul Bogaers, Juul Hondius, Bas Princen en Bart Sorgedrager – naast Rogier Fokke als direct-betrokkene – op grond van hun uiteenlopende werkwijzen bij uitstek geschikt zouden zijn om invulling aan deze opdrachten te geven.
Op basis van een gaandeweg geformuleerd concept nam Nationaal Monument Kamp Vught de werving van de benodigde fondsen daadkrachtig ter hand. Het resultaat hiervan liet even op zich wachten, maar begin februari 2009 werd duidelijk dat de beoogde opdrachten dankzij het V-Fonds en de provincie Noord-Brabant gerealiseerd zouden kunnen worden.
Gezien de geplande openingsdatum was het voor de fotografen bijna ondoenlijk om op zo’n korte termijn invulling te geven aan de gestelde opdrachten. Zeker wanneer zomers weer een cruciale rol speelt zoals bij de opdracht aan Bas Princen. Ondanks de beperkte beschikbare tijd raakten de betrokken fotografen gaandeweg zeer betrokken bij het heden en verleden van de Lunettenlaan en gaven daar ieder op eigen wijze een bijzondere en verrassende invulling aan.
Gaandeweg de realisering van deze tentoonstelling kwam ik er achter dat mijn betrokkenheid bij dit project niet op een toeval kan berusten. Tijdens een tweede bespreking met Jeroen van den Eijnde en Anja Spaninks van eind oktober 2008 schoot mij de titel te binnen van het boek dat mijn oud-oom Jaap Hemelrijk ooit schreef onder de titel Er is een weg naar de vrijheid. Zeven maanden concentratiekamp (W. de Haan/Standaard Boekhandel, Zeist/Antwerpen 1965). Gezien de centrale rol van de Lunettenlaan in het tentoonstellingsconcept, leken die eerste zeven woorden mij een toepasselijke titel. Ik had zijn boek in een grijs verleden ooit gelezen, maar kwam er bij herlezing in verband met dit project gaandeweg achter dat hij – meer dood dan levend – op Dolle Dinsdag naar Kamp Vught was getransporteerd om de volgende dag op transport te worden gesteld naar Sachsenhausen en later Buchenwald.
Mijn eigen vader stelde zijn oorlogsbelevenissen niet te boek en sprak er bij leven ook nooit over. Ergens in mijn achterhoofd zat echter het besef dat hij ook gevangen had gezeten in Kamp Vught. Gaandeweg de realisering van dit tentoonstellingsproject ging ik op zoek naar het stapeltje brieven dat decennia lang in het bureau van mijn grootmoeder had gelegen en nu in het bezit is van mijn moeder. Als gevangene nr. 8146 van ‘Block 16′ bleek gaandeweg dat mijn vader ruim zes maanden in Kamp Vught was gedetineerd voordat ook hij naar Duitsland werd getransporteerd. Deze brieven zijn mij gaandeweg dit tentoonstellingsproject steeds meer gaan biologeren, met name omdat er eigenlijk niets in staat. Mede vanwege de censuur lijkt de inhoud er vooral op gericht om zijn familie gerust te stellen dat het verblijf in dit Kamp Vught zo slecht nog niet was. Het lijkt mij een interessant onderwerp van onderzoek of dit ook geldt voor brieven van andere voormalige gedetineerden aan hun vrienden en verwanten. Onder embargo overhandig ik Jeroen van den Eijnde als directeur hierbij voor de collectie kopieën van de twaalf brieven die mijn vader tussen 7 november 1943 en uitgerekend 7 mei 1944 huiswaarts stuurde.
Pas vorige week werd ik mij er van bewust dat de opening van deze tentoonstelling plaatsvindt op een dag die een belangrijke rol heeft gespeeld in de bevrijding van het westen van ons land. Precies op deze dag in 1945 reed een kleine verkenningseenheid van het Engelse leger met drie gepantserde voertuigen onze hoofdstad binnen, terwijl de geallieerde hoofdtroepen daar algemeen werden verwacht. Deze verkenningseenheid reed een ererondje over de Dam, passeerde daarbij een vrachtwagen vol gewapende Duitse militairen en verliet uit veiligheidsoverwegingen de stad al snel weer via de Berlagebrug. Door alle verwarring openden Duitse militairen van de Kriegsmarine op 7 mei 1945 rond 15.00 uur het vuur op de duizenden Amsterdammers die waren samengestroomd op de Dam, met 22 doden en 120 gewonden als resultaat. Dit gebeuren vormde in 1992 het onderwerp van een fotoboekje dat ik samen met mijn wederhelft Veronica Hekking publiceerde onder de titel De Dam 7 mei 1945. Foto’s en documenten (Primavera Pers/Focus, Leiden/Amsterdam). Nu precies 64 jaar later sta ik hier op diezelfde dag in Vught bij de opening van deze tentoonstelling naar aanleiding van 65 jaar bevrijding van Zuid-Nederland.
Gaandeweg werd ik mij dus ervan bewust dat Nationaal Monument Kamp Vught niet alleen een collectieve plaats van herinnering is, maar dat er meer persoonlijke bindingen met deze bijzondere locatie zijn dan ik voor mijn eerste bezoek van begin september 2008 ooit besefte. Nationaal Monument Kamp Vught en de locatie van het voormalige concentratiekamp vormen voor velen een uiterst gedenkwaardige plaats van herinnering, maar verdienen nog meer aandacht. Niet in het minst omdat zij ons doen beseffen dat het begrip ‘vrijheid’ geen vanzelfsprekendheid is.
Tot slot wil ik oprecht de fotografen bedanken die zo prachtig hebben gevisualiseerd welke rol de Lunettenlaan vanuit verschillende perspectieven speelt voor onze vrijheidsbeleving anno 2009.
Flip Bool
DE LUNETTENLAAN ALS PLAATS VAN HERINNERING
door Frank van Vree
Verhalen
Plaatsen van herinnering. Een paar dagen geleden zat ik te kijken naar een film van Bert Haanstra. Vroeger kon je lachen, een film uit 1983, deels biografisch, rond de persoon van Simon Carmiggelt, én deels gebaseerd op de verhalen van de schrijver, de befaamde Kronkels die tientallen jaren dagelijks verschenen in Het Parool. De verhalen zijn geacteerd, waarbij Carmiggelt overigens ook zelf optreedt, als de schrijver die door de stad zwerft – maar er zitten, zoals gezegd, ook documentaire, biografische elementen in de verhalen verweven. Zo voert Carmiggelt de camera, de kijker, mee naar Vught, de plaats waar zijn broer, Jan, tijdens de oorlog gevangen zat.
Jan Carmiggelt zat in het verzet, net als Simon zelf overigens – die zat in de groep rond het illegale verzetsblad Het Parool. Broer Jan, pacifist en sociaal-democraat, was vlak voor de oorlog begonnen aan een journalistieke carrière, als redacteur economie bij Het Volk, en had bonkaarten voor ondergedoken joden geregeld. In juli 1943 werd hij gearresteerd, een paar maanden later al, in september, kwam hij om in Moerdijk, een buitencommando van Kamp Vught.
In Haanstra’s film voert Simon, zoals gezegd, de kijker terug naar Vught. Met de trein. Net als zijn ouders in de oorlog. Hij stapt evenwel niet uit, net zo min als zijn ouders deden op die zondagen in de zomer van 1943 dat ze hier heen reisden. Hij wijst in de richting van de gebouwen, zoals zijn ouders moeten hebben gedaan: dáár zit onze Jan. Broden, pakjes die moeder elke week stuurde. Tot het bericht kwam. Jan is dood.
Een ander verhaal. Vorige week was ik op bezoek bij een goede vriend. Hij komt hier uit de buurt. Hij was zes jaar oud toen de oorlog uitbrak en speelde op de Vughtse hei – de villawijken tussen het kamp en oude stad waren er nog niet. Hij groeide op met het kamp. Met z’n vriendjes bespiedde hij wat er gebeurde, hoorde de verhalen, en ervoer, inmiddels tien, hoe zijn vriendje, ook afkomstig uit de Theresialaan, in de herfst van 1944 plotseling met zijn moeder werd weggevoerd: zijn vader bleek Duits te zijn, in het bevrijdde Nederland op dat moment voldoende reden om als gezin te worden geïnterneerd. Opgroeien op de grens van een grausame realiteit: ik kan het niet anders zien dan dat mijn vriend – geschiedenisleraar – zijn leven lang bezig is geweest te begrijpen wat daar gebeurde.
Individuele en sociale herinnering
Wanneer we spreken over de Lunettenlaan, of misschien moeten we toch zeggen: wanneer we spreken over Vught als plaats van herinnering, voor Carmiggelt, voor mijn vriend, dan gaat het over individuele herinneringen: individuele herinneringen, van mensen wier herinneringen aan eigen ervaringen verbonden zijn met deze plek: als voormalige gevangene, als nabestaande, als getuige, hoe jong ook. De plaats is verbonden met concrete herinneringen, met episoden van het eigen leven.
Maar de betekenis van de plaats strekt zich uiteraard verder uit. Individuele, episodische herinneringen worden gedeeld, doorverteld aan vrienden, familie, kinderen – waarmee een plaats als Vught niet alleen voor individuen, maar voor sociale groepen als plaats van herinnering kan fungeren. En waar de individuele herinnering verbonden is met levende individuen, daar is de sociale herinnering verbonden met levende groepen die twee, maximaal drie generaties omvatten.
Het zal duidelijk zijn: deze met Vught verbonden sociale herinneringen zijn nog springlevend, want deze generaties die daarvan de dragers zijn, leven nog, sterker nog, ze vormen meer dan de helft van de bevolking. En dat verklaart waarom plaatsen als Vught, Westerbork of de Hollandsche Schouwburg – om ons maar even tot Nederland te beperken – de laatste decennia niet aan betekenis hebben verloren, maar gewonnen. Het aantal mensen die uit eigen ervaring met deze plaatsen is verbonden, moge dan kleiner worden, het aantal van hen die de belevenissen uit direct overgeleverde ervaring kennen, zoals verteld door ouders, vrienden, buurtgenoten, is veel groter en vormt een enorm potentieel om deze plaatsen in stand te houden.
De dynamiek van de herinnering
De betekenis van de Lunettenlaan, Vught, als plaats van individuele en sociale herinneringen is aan voortdurende verandering onderhevig. Onze herinneringen zijn immers niet statisch, maar veranderen door de tijd van kleur en intensiteit, ja zelfs van inhoud, onvermijdelijk, zoals we weten uit de wetenschappelijke literatuur, vooral van psychologen en juristen zoals Wagenaar of, nog beter, Douwe Draaisma. Historici zijn dikwijls opvallend naïef als het gaat om de feitelijke betrouwbaarheid van herinnerde gebeurtenissen, meer dan een halve eeuw na dato. Herinneringen zijn getekend door de tijd, door wat men later heeft gehoord, gelezen, door de ouderdom of andere natuurlijke processen die de herinneringen steeds opnieuw etsen, laag over laag. Na zo lange tijd is vaak zelfs niet meer te zeggen waar de grens ligt tussen individuele en sociale herinneringen. Anders gezegd: individuele herinneringen zijn door de tijd heen zo sterk ‘gesocialiseerd’ dat er van hun ‘oorspronkelijke individualiteit’ vaak weinig meer over is.
Daarmee is de eerste belangrijke kanttekening geplaatst: de Lunettenlaan fungeert als plaats van herinnering, zeker, maar dan hebben we het wel over een herinnering die dynamisch is, waarvan de kleur en inhoud onderhevig zijn aan niet-aflatende processen van verandering.
Een tweede, minstens zo belangrijke kanttekening bij de karakterisering van de Lunettenlaan als plaats van herinnering, heeft betrekking op de suggestie van eenduidigheid, opgewekt door het woord ‘herinnering’ – in enkelvoud. Juist met betrekking tot deze plaats is die suggestie misleidend: de individuele en sociale herinneringen die met deze plaats zijn verbonden, zijn gelaagd en veelvormig en niet zelden onderling tegengesteld. Sterker nog, de herinneringen van verschillende individuen en groepen verdragen zich niet of nauwelijks met elkaar, na alles wat zich hier heeft voltrokken, vanaf het moment dat de barakken voor het SS-Wachtbataljon Nord-West werden neergezet en er een concentratiekamp werd gevestigd, met zijn 31,000 gevangenen in nauwelijks twee jaar – en vervolgens de 12,000 Duitsers en meer of minder ‘foute’ Nederlanders, de duizenden naar Nederland overgebrachte Molukse soldaten van het voormalige Koninklijke Nederlandse Indische Leger, het KNIL, en hun families – en dan heb ik het nog niet over de voormalige ‘normale’ gevangenen sedert 1954 en de hier gelegerde militairen.
‘De Lunettenlaan als plaats van herinnering’ – wat zich hier aftekent is een enorme complicering: achter het begrip ‘herinnering’ gaat een complex schuil van zeer diverse, kleine en grote, pijnlijke en weemoedige, hartverscheurende en gruwelijke, maar ook: soms niet of nauwelijks met elkaar te verzoenen verhalen, verhalen die diep verankerd zijn in de samenleving. Want ga maar na: het gaat hier om een plaats waarmee tienduizenden, zelfs honderdduizenden Nederlanders nog direct verbonden zijn – tienduizenden, honderdduizenden Nederlanders, verbonden met deze plaats door individuele en sociale herinneringen.
Lieu de mémoire
De vraag die zich op dit punt natuurlijk aandient, is, of een plaats als de Lunettenlaan ook kan fungeren als plaats van herinnering voor mensen die niet uit eigen beleving dan wel uit directe overlevering kunnen putten. Het antwoord daarop is ja – plaatsen als de Lunettenlaan kunnen uitgroeien, zijn uitgegroeid tot plaatsen van herinnering voor veel meer mensen, ook wanneer zij aan deze plaats geen enkele eigen herinnerde beleving kunnen verbinden. Sterker nog, toen de Franse historicus Pierre Nora in de jaren tachtig de term lieu de mémoire introduceerde, ging het hem in de eerste plaats om dit soort plaatsen: plaatsen die beladen zijn met betekenis voor een hele samenleving, of voor grote groepen in die samenleving.
Om te begrijpen hoe deze plaatsen, of ankerplaatsen, zoals Vught, of de Nachtwacht, het Wilhelmus, of de Hollandsche Schouwburg – hoe en waarom zij zo’n levende betekenis krijgen, moeten we onze aandacht richten op de verhalen die in deze plaats hun oorsprong vinden of daarin als het ware zijn verankerd [daarom is dat woord ‘ankerplaats’ zo’n mooie Nederlandse metafoor). De geschiedenis die we op school hebben geleerd, de speelfilms en documentaires op de televisie en de bioscoop, de interviews in de kranten, de foto’s, de monumenten: al deze verhalen, voorstellingen, objecten, verwijzen naar gebeurtenissen, herinnerde gebeurtenissen die verbonden zijn met deze plek, het schilderij, de Schouwburg. De Duitse cultuurwetenschapper Aleida Assmann spreekt in dit verband van culturele herinneringen: herinneringen die hun weerslag hebben gevonden in de literatuur, de kunst, een monument, maar ook in herdenkingsrituelen of schoolboeken. Daarmee wordt ook in één klap duidelijk wat deze culturele herinneringen onderscheidt van individuele en sociale herinneringen: de laatsten worden gedragen door levende mensen, zijn letterlijk belichaamd, in fysieke wezens, terwijl de culturele herinneringen zijn opgeslagen, ‘gemedialiseerd’, en daarmee ‘leesbaar’, overdraagbaar voor anderen, voor mensen die niet direct of indirect door eigen ervaring verbonden zijn met de plaats en de gebeurtenissen die zich daar ooit hebben voltrokken – overdraagbaar tot in lengte van dagen, als het nodig is.
In die zin kan het monument bij Warns voor nationalistisch georiënteerde Friezen 650 jaar na de befaamde slag tussen Friezen en Hollanders fungeren als een lieu de mémoire, zo goed als de resten van de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog aan de Somme voor huidige generaties van Belgen, Fransen en Britten. Dat geldt zelfs voor ons, Nederlanders: wij zullen de slagvelden evenwel vooral herinneren als plaatsen van een zinloze massaslachting, als een monument dat het begin markeert van die korte eeuw van extreme barbarij die als een schaduw over de jongste Europese geschiedenis ligt, als een lieu de memoire die tegelijk een onheilspellende waarschuwing uitdraagt.
Herinnering en identiteit
‘De Lunettenlaan als plaats van herinnering’ – stap voor stap ontvouwt zich de volle betekenis van deze ogenschijnlijk heldere titel. Met deze plaats zijn verbonden (1) individuele herinneringen, van levende mensen, die er uit ervaring over kunnen spreken en schrijven, of het nu gaat om voormalige gevangen verzetstrijders, ge”interneerde NSB-ers of zogenaamd ‘tijdelijk ondergebrachte’ Molukse KNIL-soldaten; (2) sociale herinneringen, van de generaties, de sociale groepen waarvan de dragers van de individuele herinneringen deel uitmaken; (3) de culturele herinneringen, die hun weerslag hebben gekregen in teksten, objecten, beelden, rituelen.
Juist de culturele herinneringen kunnen tot in lengte van dagen worden aangevuld, herschept en opnieuw geïnterpreteerd – en dat is precies wat deze fototentoonstelling is: een bijdrage aan het niet aflatende proces van betekenisgeving, van herinterpretatie, van aanmoediging om opnieuw en ook anders naar deze plek te kijken, om te ontregelen, om ons aan het denken te zetten.
Vught als plaats van herinnering, van levende herinneringen, in een tijd waarin de generatie die de oorlog zelf bewust heeft meegemaakt geleidelijk verdwijnt – daarvan getuigen de werken die hier ten toon worden gesteld. Levende herinneringen, los – inderdaad – van individuele en sociale herinneringen: levende culturele herinneringen die een bredere betekenis hebben, voor de samenleving, voor latere generaties, levend, bijna vanzelfsprekend, omdat zij verbonden zijn met verhalen van oorlog, geweld, dekolonisatie, onrecht, geschiedenissen die relevant zijn voor de huidige samenleving.
Ik begin met de eenvoudig ogende zin ‘De Lunettenlaan als plaats van herinnering’ – om uit te komen bij de vaststelling dat achter de term ‘herinnering’ een onontwarbare luwen schuil gaat van uiteenlopende betekenissen: sommigen ontspringen aan individuele ervaringen, velen zijn geweven, laag over laag, door wat in de loop van de tijd aan deze plaats is toegeschreven, omdat we ook als samenleving hechten aan deze plaats en wat zich hier heeft afgespeeld.
‘Vught als plaats van levende herinnering’ is daarmee op te vatten als ‘Vught als bron van onze identiteit’. Daarom investeren we in deze plaats, daarom richten we haar telkens opnieuw in en organiseren we er tentoonstellingen. Deze middag vormt daarvan het bewijs.
Frank van Vree is historicus en als hoogleraar journalistiek verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Deze tekst werd uitgesproken bij de opening van de fototentoonstelling ‘Er is een weg naar de vrijheid’ in Vught op 7 mei 2009.
Toespraak Onno Hoes, gedeputeerde Provincie Noord-Brabant
Voor openingshandeling ‘Er is een weg naar de vrijheid’, 7 mei 2009.
Een paar dagen geleden waren we hier ook aanwezig, met drie-/vierhonderd belangstellenden. Om te luisteren naar de Ambassadeur van Israël, Zijne Excellentie Harry Kney-Tal. Natuurlijk stond hij hoofdzakelijk stil bij wat er zich in Kamp Vught gedurende de oorlogsjaren heeft afgespeeld. Maar hij stond ook stil bij het nog steeds bestaande onrecht in de wereld. Hij stond stil bij de opdracht die wij dagelijks hebben om vrijheid en verdraagzaamheid in te bedden in een open en democratische samenleving.
En vandaag gaan we op dat pad verder. Letterlijk, via de Weg naar de vrijheid.
Zoals velen van u weten woon ik hier zelf vlakbij. Iedere dag passeer ik de Lunettenlaan als ik mijn dorp Cromvoirt in of uitrij. Iedere dag rij ik langs een groene laan, rustig, rustiek, karakteristiek. Bijzonder? Hooguit omdat je relatief veel verkeer deze laan in en uit ziet komen. En zeker als je weet dat dit een dóódlopende weg is.
Doodlopend? Is dát de weg naar de vrijheid?
Was het een doodlopende weg voor de gevangenen in Kamp Vught? Voor de meeste helaas wel. Maar was het ook een doodlopende weg voor de Molukkers die hier onderdak vonden? Ik hoop toch van niet! En voor de gevangenen? Ik hoop ook voor hen toch van niet! En voor de kazerne van de Koninklijke Landmacht? Integendeel, zij hebben nog een lange weg en een grote opdracht te gaan.
Misschien is er wel iets gebeurd bij de bevrijding van Kamp Vught.
Misschien, dames en heren, is toen de rijrichting definitief omgedraaid.
Want de doodlopende weg richting Kamp Vught is in 1945 omgedraaid naar een weg naar de vrijheid. De Lunettenlaan is de enige weg in Nederland die doodloopt én naar vrijheid reikt.
Dát maakt deze laan zo uniek en daarvan getuigen de foto’s die door Paul Bogaers, Rogier Fokke, Juul Hondius, Bart Sorgdrager en Bas Princen zijn gemaakt.
En de provincie Noord-Brabant heeft graag een bijdrage geleverd om deze expositie mede mogelijk te maken.


